Tagarchief: twaalftoonsmuziek

Arnold Sch̦nberg (1874 Р1951)

Schönberg zet zich af tegen tegen een burgermaatschappij die zich tevreden stelt met oppervlakkigheid en dubbele moraal, tegen aanpassing en bevallige schijn. Hij staat voor de provocerende waarheid, heldere gevoeligheid met alle hinderlijke gevolgen van dien, daarom is de muziek:
- niet bedoeld om prettig in het gehoor te liggen
- wel bedoeld om zo indringend mogelijk uitdrukking te geven aan gevoelens
- er is meer sprake van spreken dan van zingen

Erwartung (1909)
Een ‘Monodrama’ voor zangstem en orkest is een schoolvoorbeeld van expressionisme. Het libretto is een soort droom. De naamloze vrouw van het drama zoekt haar geliefde en treft hem dood in het woud aan. Zij moet hem uit haar bewustzijn verdringen. Het verleden ligt aan flarden en deze geheugenflarden worden tot een psychisch verward heden ineengeschoven: de gevolgen van verdringing zoals ze door Freud werden beschreven

Atonale muziek
In de eerste tien jaren van de twintigste eeuw begon in Oostenrijk de opstand tegen de muziek van de laat-Romantiek. In Wenen werkte Anton Schönberg en zijn leerlingen Anton Webern en Alban Berg aan de meest radicale omwenteling in de muziek. Ze vonden dat het eeuwenoude toonsysteem, waarin sommige tonen altijd belangrijker zijn dan anderen, zijn tijd had gehad en dat er een nieuw systeem moest komen, waarin alle tonen even belangrijk waren. Die muziek werd atonaal genoemd, omdat je er geen vaste toonaard meer in kon horen, en ook verdween daarmee het begrip “mooie” en “lelijke” samenklanken: consonanten en dissonanten.

De mensen in Schönbergs tijd verklaarden hem voor krankzinnig en nog steeds hebben veel muziekliefhebbers moeite met de atonale muziek. Je zou er eigenlijk een paar nieuwe oren voor op moeten kunnen zetten, die niet zijn vastgeroest in het luisteren naar al die eeuwen tonale muziek. Maar veel luisteren met je gewone oren helpt ook heel goed.

De Seriële muziek van Schönberg noemt men ook wel “twaalftoonsmuziek” of “dodecafonie” De theoretische essentie van deze muziek luidt als volgt:

  • Elke compositie is gebaseerd op een ‘reeks’, een ‘serie’, (vandaar de naam ‘seriële muziek’), een bepaald patroon van intervallen (=toonafstanden), waarbij alle twaalf halve tonen van het octaaf worden gebruikt in een door de componist bepaalde volgorde.
  • Alle tonen zijn gelijkwaardig.
  • De tonen mogen na elkaar klinken, maar ook gelijktijdig. Het ritme is geheel vrij, maar elke toon mag pas weer aan bod komen als de hele reeks is afgewerkt. In de praktijk werd hier natuurlijk regelmatig van afgeweken. Componeren is immers niet zoiets als postzegels verzamelen.