Jos̩phine Baker (1906 Р1975)

Josephine Baker ontvluchtte het racisme in de Verenigde Staten om vervolgens een ster van wereldformaat te worden in Parijs. Ze was een vrouw met allure, die op wist te klimmen van de diepste armoede tot het grootste succes. Met de Verenigde Staten had ze een haat-liefde verhouding, maar Parijs was haar echte grote liefde. Op haar zestiende zag ze dansers in een vaudeville-show en besloot ze dat ze ook wilde dansen. Ze ging dansen bij een rondtrekkend gezelschap dat gevestigd was in Philadelphia, Pennsylvania. In 1922 trad ze op in de chorus line van Shuffle Along. Hierna ging ze naar New York en danste bij de Chocolate Dandies in de Cotton Club. Langzaam maar zeker viel ze steeds meer op, zowel door haar gracieuze verschijning als door haar komieke en uitdagende stijl van dansen.

Dankzij Joséphine Baker bereikte de negergekte een breder publiek. Shows van de Revue Negre werden door Joséphine een groot succes.

 

Mary Wigman ‘Hexentanz’ 1914

Mary Wigman toont haar gevoelens van woede en verdriet in de heksendans. De dansbewegingen van Wigman, waaronder knielen, hurken, vallen en kruipen, sluiten niet aan bij voorgeschreven regels van het academisch ballet.

Ausdruckstanz is een vooroorlogse Duitse expressionistische dans. Academische regels worden genegeerd en pantomime geïntegreerd om in de dans te komen tot een grotere uitdrukkingskracht.

 

Expressionisme

Expressionisme is de algemene benaming voor kunst waarbij de nadruk ligt op uiting geven aan gevoel. Belangrijk is daarbij vooral dat de gevoelswaarde, het onderbewuste, dat de kunstenaar ervaart naar aanleiding van het onderwerp, de boventoon voert. Dit in tegenstelling tot het impressionisme waarbij vooral het uiten van de werkelijkheid, zoals men die ervaart, voorop staat. Zo vervaagt in het expressionisme de band met de werkelijkheid vaak, soms valt die zelfs helemaal weg. Hierdoor krijgen onvoorstelbaar nieuwe vormen hun kans. Het expressionisme kent maar één wet: dat er geen wetten zijn, en dat die dan ook niet mogen worden opgelegd.

Kenmerken van het expressionisme:
• individuele, subjectieve expressie; persoonlijke uitdrukking van gevoelens
• de innerlijke wereld, emoties krijgen vorm
• de stijl is grof en bewegelijk, factuur
• duidelijke vormen, geen details
• fel kleurgebruik

Kubisme

Het kubisme is een stroming in de beeldende kunst, ontwikkeld door Picasso en Braque, waarin vormen in de natuur teruggevoerd worden tot geometrische basisvormen. Kenmerkend is de combinatie van verschillende gezichtspunten wat het opdelen van vaste formules in een veelheid van fragmenten of facetten tot gevolg heeft.

 

Kenmerken van het kubisme:
• alle vormen worden teruggebracht tot hoekige, kubusachtige basisvormen: de vormen lijken uiteen te vallen in kleine fragmenten
• het schilderij is een plat vlak, dat bedekt is met vormen, lijnen en kleuren.
• verschillende standpunten in één beeld
• lichtval vanuit verschillende kanten

Arnold Sch̦nberg (1874 Р1951)

Schönberg zet zich af tegen tegen een burgermaatschappij die zich tevreden stelt met oppervlakkigheid en dubbele moraal, tegen aanpassing en bevallige schijn. Hij staat voor de provocerende waarheid, heldere gevoeligheid met alle hinderlijke gevolgen van dien, daarom is de muziek:
- niet bedoeld om prettig in het gehoor te liggen
- wel bedoeld om zo indringend mogelijk uitdrukking te geven aan gevoelens
- er is meer sprake van spreken dan van zingen

Erwartung (1909)
Een ‘Monodrama’ voor zangstem en orkest is een schoolvoorbeeld van expressionisme. Het libretto is een soort droom. De naamloze vrouw van het drama zoekt haar geliefde en treft hem dood in het woud aan. Zij moet hem uit haar bewustzijn verdringen. Het verleden ligt aan flarden en deze geheugenflarden worden tot een psychisch verward heden ineengeschoven: de gevolgen van verdringing zoals ze door Freud werden beschreven

Atonale muziek
In de eerste tien jaren van de twintigste eeuw begon in Oostenrijk de opstand tegen de muziek van de laat-Romantiek. In Wenen werkte Anton Schönberg en zijn leerlingen Anton Webern en Alban Berg aan de meest radicale omwenteling in de muziek. Ze vonden dat het eeuwenoude toonsysteem, waarin sommige tonen altijd belangrijker zijn dan anderen, zijn tijd had gehad en dat er een nieuw systeem moest komen, waarin alle tonen even belangrijk waren. Die muziek werd atonaal genoemd, omdat je er geen vaste toonaard meer in kon horen, en ook verdween daarmee het begrip “mooie” en “lelijke” samenklanken: consonanten en dissonanten.

De mensen in Schönbergs tijd verklaarden hem voor krankzinnig en nog steeds hebben veel muziekliefhebbers moeite met de atonale muziek. Je zou er eigenlijk een paar nieuwe oren voor op moeten kunnen zetten, die niet zijn vastgeroest in het luisteren naar al die eeuwen tonale muziek. Maar veel luisteren met je gewone oren helpt ook heel goed.

De Seriële muziek van Schönberg noemt men ook wel “twaalftoonsmuziek” of “dodecafonie” De theoretische essentie van deze muziek luidt als volgt:

  • Elke compositie is gebaseerd op een ‘reeks’, een ‘serie’, (vandaar de naam ‘seriële muziek’), een bepaald patroon van intervallen (=toonafstanden), waarbij alle twaalf halve tonen van het octaaf worden gebruikt in een door de componist bepaalde volgorde.
  • Alle tonen zijn gelijkwaardig.
  • De tonen mogen na elkaar klinken, maar ook gelijktijdig. Het ritme is geheel vrij, maar elke toon mag pas weer aan bod komen als de hele reeks is afgewerkt. In de praktijk werd hier natuurlijk regelmatig van afgeweken. Componeren is immers niet zoiets als postzegels verzamelen.

“L’apres midi d’un faune” 1912

De muziek van de Franse componist Claude Debussy (1862-1918) wordt vaak als impressionistisch omschreven en vergeleken met de nieuwe stroming in de schilderkunst van zijn tijd, het impressionisme. Debussy zelf had een hekel aan dat etiket. Toch had hij veel gemeen met de impressionistische schilders van zijn tijd zoals bijvoorbeeld Monet, Manet en Renoir. Want net als zij wilde hij niet een concrete muzikale werkelijkheid tonen, maar slechts een vage indruk daarvan, een impressie. Met dit weergeven van een impressie gooide de jonge eigenzinnige componist het concept overboord, dat muziek aan bepaalde regels moest voldoen, een vaste structuur moest hebben en een duidelijke richting. Zijn eerste werk in deze revolutionaire stijl schreef Debussy in 1894: Prelude e l’apres-midi d’un faune. Het stuk werkte als een eye-opener voor belangrijke 20ste-eeuwse componisten.

Debussy zag muziek als een vorm van communicatie. De luisteraar moest zijn muziek al op het eerste gehoor kunnen begrijpen en aanvoelen: ‘Er is geen theorie. Je hoeft alleen maar te luisteren. Fantasie ['plaisir'] is de wet.’

Het orkestwerk duurt ongeveer tien minuten en is een vrije fantasie over het gelijknamige gedicht, dat verhaalt over een faun en zijn dagdromen op een zwoele namiddag. De muziek beschrijft het gedicht niet letterlijk, maar ze schetst een algehele atmosfeer van luchtige nostalgie en zachte dromerigheid. Alleen al de openingsmelodie zette de toen geldende principes op losse schroeven: er klinkt slechts één instrument, de fluit, symbool van de dromende faun. De melodie daalt en stijgt, als een meeuw die zich laat mee wiegen op de golven. Ze krult en wentelt zich lustig als een arabeskversiering op de muur van een Moors paleis. Dan valt het orkest in. De samenklanken zijn rijk en vol, vanwege de warme kleuren van de houtblazers (fluiten, althobo) en de hoorns, en de afwezigheid van luidruchtige blaas- en slaginstrumenten. Als in een droom kabbelt de mysterieuze en exotische muziek verder.

The Jazz Singer 1927

De film The Jazz Singer is in 1927 een kassucces in de Verenigde Staten. Het is één van de eerste films waarin gelijktijdig met de filmprojectie geluid te horen is, al is dat geluid niet gelijktijdig met het schieten van de film opgenomen. Al Jonson speelt in de film de hoofdrol. Jolson is coonsinger, een zwart geschminkte blanke die met negerliedjes een blank publiek amuseert. De shows met imitatienegers, bekend als Black Minstrelshows, waren eind 19e en begin 20ste eeuw erg populair in Amerika.