Auteursarchief: ammerdorffer

Triadisch Ballet

Voor dit beroemde dansstuk ontwierp Oskar Schlemmer (1988 – 1943) meetkundige kostuums die in samenhang met de dansers een nieuwe organisatie en eenheid vormden: de ‘figurijn’.
De danser werd gezien als een bewegende machine, waarbij de hoofdonderdelen gekenmerkt zijn door geometrische vormen. Typisch aan zijn dans waren de eenvoudige passen en gebaren in abstracte vormentaal.  Door de kostuums waren de dansers  zeer beperkt in hun bewegingen en die verliepen dan ook via beperkte geometrische patronen.

Bertold Brecht (1898 – 1956)

In de jaren twintig en dertig groeide in Duitsland een beweging, die naar een fundamentele verandering van het bestaande schouwburgtheater streefde. Deze ontwikkeling kreeg vorm in het episch theater. Met deze theatervorm is onlosmakelijk de naam van Bertolt Brecht (1898-1956) verbonden. Brecht verzette zich tegen het burgerlijk kijkkasttheater, dat een wereld van illusies tevoorschijn toverde en het publiek zo nauw bij de gebeurtenissen en personages op het toneel    probeerde te betrekken, dat het voor korte tijd zijn dagelijkse beslommeringen vergat. Op deze manier diende het theater volgens Brecht voornamelijk als ontluchtingskanaal voor alledaagse spanningen in de samenleving. Als een soort bliksemafleider voor verdrongen gevoelens die    mensen buiten het theater hadden opgedaan. Die gevoelens en spanningen waren na de voorstelling misschien wel opgelost, maar de omstandigheden waarbinnen ze waren ontstaan, bleven onveranderd.

Vervreemdingseffekten
Brecht wilde de toeschouwer juist  inzicht geven in de maatschappelijke en politieke situatie van dat moment in  Duitsland, die werd gekenmerkt door armoede, fascisme, klassenstrijd en  sociaal onrecht. Door afstand scheppende technieken te gebruiken, die  verhinderden dat men zich teveel in de personages of gebeurtenissen inleefde  (het zogeheten vervreemdingseffekt), kon de toeschouwer des te beter  tot nadenken worden aangezet. Brecht liet zijn stukken dan ook vaak in het  verleden of in een ver land spelen. Zo kon het publiek een objectiever en  scherper oordeel vellen over de inhoud, dan wanneer het er directer bij  betrokken was, zoals bij stukken die zich in de eigen tijd of omgeving  afspeelden. In feite verwezen ze wel degelijk naar de eigen Duitse situatie  van de dertiger jaren.

Brecht vond dat de toeschouwers de gewoonte hadden om in de garderobe niet alleen jas en hoed achter te laten, maar ook hun verstand. Het theater moest geen droomeiland buiten de maatschappij zijn. Voor hem was het theater een middel om verhoudingen in de maatschappij bloot te leggen en de toeschouwer en toneelspeler een kritische houding te leren. Later noemde hij zijn toneelstukken dan ook leerstukken. Zijn kunst was het episch theater. Onder episch theater verstaan we vertellend theater. De toeschouwer ziet duidelijk dat er toneel gespeeld wordt:
• De speler zal zich niet met zijn eigen rol identificeren.
• De toeschouwer zal zich niet inleven maar (zoals bij sportwedstrijden) tot een kritische medespeler worden.
• Niet het gespeelde, maar wat je kunt leren is belangrijk.
• De toeschouwer heeft steeds een kritische afstand tot datgene wat zich op het toneel afspeelt.

Om de illusie te doorbreken hanteerde Brecht allerlei middelen:
• Zo maakt het episch theater vaak gebruik van maskers of een opvallende grimering.
• Er kan een vertellersfiguur optreden, zoals een ceremoniemeester of een conferencier, die zich tot het publiek richt, commentaar op de gebeurtenissen geeft of de scenes met elkaar verbindt.
• Maar ook de eigenlijke personages maken in hun spel het publiek steeds duidelijk dat er ‘slechts’ toneel gespeeld wordt: de spelers identificeren zich nooit volledig met hun rol, maar blijven er voor een deel van buitenaf tegenaan kijken.
• Net als in het Middeleeuws toneel zijn er veelvuldige wisselingen van plaats en tijd, die hier verduidelijkt worden met dia projecties, plaatsnaambordjes of eenvoudige rekwisieten.
• Decorwisselingen vinden vaak voor het oog van het publiek, achter een halfhoog gordijn, plaats.
• Musici en verlichtingsmechanieken kunnen tijdens de voorstelling zichtbaar zijn.
• Inleidende teksten; waarin op het verhaal wordt vooruitgelopen, niet met de bedoeling om de spanning van het publiek te richten op hoe het verhaal zal aflopen, maar om aan te geven dat het verhaal zo en niet anders verloopt. Het gaat dus niet om de afloop maar om het verloop.
• Onderbreken van het verhaal met liederen; ze geven meestal niet de mening van het personage, maar ze gaan over de hele situatie, die meestal vanaf een afstand wordt bekeken. Ze maken problemen algemener in plaats van op dat ene geval in te gaan.
• Het decor geeft aan dat het om theater gaat. In plaats van een realistisch/naturalistisch decor je in de illusie van een andere wereld laten voeren.
• Alleen de meest noodzakelijke rekwisieten worden gebruikt.

Sergei Eisenstein (1898 – 1948)

Sergei Michailowitsch Eisenstein werd geboren in 1898 in Riga. Hij studeerde aan het Ingenieur-Instituut in Petersburg en trad vervolgens in het Rode Leger. Aan de Militaire Academie in Moskou kreeg hij de gelegenheid Japans te leren, maar al snel vond hij zijn belangstelling vooral in theater en film. In het seizoen 1920-1921 begon hij als decorontwerper bij het Eerste Arbeiderstheater Proletkult in Moskou. In 1922 werd hij als docent aangesteld aan het door Wsewolod Meyerhold geleide Staatsinstituut voor Regie en was vanaf die tijd tevens als filmregisseur werkzaam. 

Battleship Potempkin (1925)

  • Eisenstein laat de slachting op de trappen van Odessa veel langer duren dan in werkelijkheid het geval zou zijn geweest. De trage reactie van de moeder op het dood schieten van haar kind is hier een voorbeeld van. Door haar ontsteltenis te rekken, vergroot hij de psychologische impact op de toeschouwer. Hij geeft de toeschouwer zo de kans de omvang van de verschrikking tot zich door te laten dringen.
  • De vormgeving is heel bewust afgestemd op het bedoelde effect. Eisenstein fotografeert de soldaten van de garde zonder gezicht, met stampende laarzen en zonder twijfel. De geometrie van samengestelde lijnen van de trappen, de geweren en de uniformen benadrukt de koele meedogenloosheid van de garde. De vluchtende massa daarentegen, is chaotisch en kent angstige gezichten: zij is identificeerbaar.
  • De trappenscène is een beroemd voorbeeld van hoe Eisenstein de beginselen van de montage in praktijk brengt. Eisenstein ontwikkelt een systeem van achter elkaar plaatsen van elementen die steeds met elkaar in conflict zijn. Hij noemt ze “attracties”. Een aaneenschakeling van attracties, de montage ervan, vormt dan een film, waarin het “schokken” van de toeschouwer het belangrijkste doel is. De      conflicten zijn in “Pantserkruiser Potemkin” zowel in vorm als in inhoud te vinden: een conflict tussen de massa’s, maar ook tussen de camerastandpunten, tussen statische en bewegende camera’s en tussen langzame en versnelde opnamen. In de Trappenscène komen de hierboven vermelde conflicten terug.

Oktober (1927)

Martha Graham (1894 – 1991)


De dans Lamentation (1930) start bij 1.30 min.

Waar Graham vooral bekend om staat, is haar manier van dansen, die expressionistisch en experimenteel van aard was. Zij ontwikkelde een geheel eigen techniek, die ook wel de ‘Grahamtechniek’ wordt genoemd. Deze techniek gaat uit van het ritme van de ademhaling. Ook het dansen vanuit de buik staat centraal. De buik vormt het centrum van het lichaam en tevens het centrum van het gevoel. De basis van de Grahamtechniek wordt gevormd door het spannen en ontspannen van spieren, ook bekend als contraction en release.

Een ander aspect dat in de techniek van Graham duidelijk naar voren komt is het contact van de danser met de grond. Graham beschouwde de vloer als het landschap van de danser. Vanuit deze filosofie creëerde zij ook bewegingen die zittend of zelfs liggend uitgevoerd moesten worden.

De techniek die Graham ontwikkelde stond hierdoor haaks op het academische (klassieke) ballet. Bestond het klassiek ballet uit strikte voorschriften over hoe de dans moest worden vormgegeven, Graham nam het gevoel als drijfveer. Een andere grote tegenstelling werd gevormd door het schoeisel dat gebruikt werd. In het academisch ballet was het gangbaar om spitzen te dragen, waarmee de danser los kon komen van de aarde en als het ware kon zweven. Graham danste echter op blote voeten om het contact met de grond zo veel mogelijk te behouden.

Surrealisme

Het surrealisme had (net als Dada) een negatief beeld van de bestaande maatschappij, maar wilde een positieve bijdrage leveren. Dromen, visioenen en erotische fantasieën stonden in het surrealisme centraal. Zij zochten een hogere werkelijkheid achter de uiterlijke verschijningsvorm (sur-realité).

Aan deze gedachtegang lagen de denkbeelden van de psycholoog Sigmund Freud ten grondslag, die toentertijd de basis legde voor de psychoanalyse. De visuele verbeeldingskracht moest worden losgemaakt van het verstand en de logica, waardoor het onderbewustzijn suggestieve voorstellingen kan scheppen.

De surrealisten streefden naar een bevrijding van de menselijke geest en een mentaliteitsverandering, en zo naar een andere maatschappij. De fantasie moest niet wordt ingeperkt. Zij wilden een vrijheid bereiken die eigen is aan kleine kinderen en ‘krankzinnigen’.

Salvador Dali

René Magritte

Joan Miró

Dada

Het Dadaïsme was een korte, maar heftige kunststroming, die rond 1916 ontstond in Zürich. De dadaïsten vonden de toenmalige beeldende kunst in Europa maar niets, zij dreven de spot met de normen en waarden van die tijd. Ze gooiden de meningen over goede smaak in kunst en literatuur in de prullenbak. Die meningen beschouwden zij als culturele kenmerken van een samenleving die bestaat uit hebzucht en materialisme, met oorlog en ellende tot gevolg.

De dadaïsten werkten op een voor die tijd uitdagende wijze; daarmee riepen ze veel discussies over kunst op in internationale bladen. Normale, alledaagse, al dan niet bewerkte voorwerpen werden door hen tot kunstwerk verklaard ( o.a. door te ondertekenen). Men noemde ze readymades.

Kenmerken:
• Dada maakte antikunst, wilde shockeren
• humor en ironie
• gewone gebruiksvoorwerpen werden als kunst tentoongesteld
• afvalproducten werden verwerkt in de kunstwerken

Ragtime

Ragtime is een laat 19e eeuwse Amerikaanse muziekvorm, die gekenmerkt wordt door syncopische melodie en begeleiding. Ragtime is één van de muzikale bronnen van de jazz. Ragtime mag zelf echter niet als jazz beschouwd worden. Het ging aan de jazz vooraf. Wel zijn rags veelvuldig in door orkesten van oude stijl jazz gespeeld.

Ragtime is oorspronkelijk uitsluitend gemaakt voor piano. Ragtime staat in tweekwartsmaat. Later zijn ook wel bewerkingen voor blaasorkest gemaakt, ook nog voordat de jazz in ontwikkeling kwam. De beroemdste ragtime-componisten waren Scott Joplin, James Scott en Joseph Lamb. De nu wereldwijd bekendste compositie is de Maple Leaf Rag.

Blues

Blues is een muziekstijl die ongeveer tussen 1860 en 1900 is ontstaan en zijn oorsprong vindt in de muziek die slaven (uit Afrika afkomstige negers) in het Zuiden van de Verenigde Staten – onder andere in de Mississippidelta, tussen Memphis en New Orleans) – maakten. De voornaamste muzikale bronnen die tot het ontstaan van de blues hebben bijgedragen zijn de religieuze liederen (gospels, spirituals), de worksongs en de fieldholler.

“Before I’ll be beaten”

Soms gebruikten de zangers ‘scheldwoorden’ die de bewakers niet kenden. Ze spraken bijvoorbeeld af dat ‘hark’ in hun liedje als ‘zot’ bedoeld werd. Zo konden ze de bewakers uitschelden zonder dat deze het merkten. Ze maakten zelf instrumenten en ‘s avonds zongen ze uit volle borst over de misère die ze hadden.

De aanduiding ‘blue’ voor rouw is afkomstig uit de zeilscheepvaart. Als een schip haar kapitein of een andere officier tijdens de reis verloor, voerde ze voor de rest van de reis een blauwe vlag en werd een blauwe band rond het hele schip geschilderd alvorens de thuishaven binnen te lopen.

Toen vele zwarten rond de Eerste Wereldoorlog vanuit het Zuiden naar de steden in het Noorden (onder andere Chicago en Detroit) trokken, kreeg de blues een meer ‘stedelijk’ geluid, voornamelijk gekenmerkt door het gebruik van elektrisch versterkte instrumenten. Deze meer up-tempo variant van de blues zou later de weg bereiden voor rhythm and blues en rock ‘n’ roll.

Futurisme

Het futurisme is een van oorsprong Italiaanse beweging en kunststroming van 1909 tot 1914, ontstaan uit het kubisme. Hoewel de futuristen het kubisme afwezen, was er een moeilijk te negeren correlatie tussen beide bewegingen.

Enkele kenmerken van het futurisme zijn snelheid, energie, agressie, krachtige lijnen, vooruitgang en nieuwe technologie.

Spectaculair zijn ook de muzikale vernieuwingen van Luigi Russolo, die hij in 1913 met zijn ‘Lawaaikunst’ in praktijk bracht met elektrisch aangedreven ‘lawaaimachines’. Lawaai was voor de futuristen, naast dynamiek en snelheid, hèt kenmerk van de nieuwe tijd. Het uitbeelden van de sensatie van geluid was voor schilders ook een belangrijk gegeven. Ze probeerden de schilderkunst te ‘muzikaliseren’: abstracte schilderijen en muziek zagen zij als verbonden kunstvormen.