“L’apres midi d’un faune” 1912

De muziek van de Franse componist Claude Debussy (1862-1918) wordt vaak als impressionistisch omschreven en vergeleken met de nieuwe stroming in de schilderkunst van zijn tijd, het impressionisme. Debussy zelf had een hekel aan dat etiket. Toch had hij veel gemeen met de impressionistische schilders van zijn tijd zoals bijvoorbeeld Monet, Manet en Renoir. Want net als zij wilde hij niet een concrete muzikale werkelijkheid tonen, maar slechts een vage indruk daarvan, een impressie. Met dit weergeven van een impressie gooide de jonge eigenzinnige componist het concept overboord, dat muziek aan bepaalde regels moest voldoen, een vaste structuur moest hebben en een duidelijke richting. Zijn eerste werk in deze revolutionaire stijl schreef Debussy in 1894: Prelude e l’apres-midi d’un faune. Het stuk werkte als een eye-opener voor belangrijke 20ste-eeuwse componisten.

Debussy zag muziek als een vorm van communicatie. De luisteraar moest zijn muziek al op het eerste gehoor kunnen begrijpen en aanvoelen: ‘Er is geen theorie. Je hoeft alleen maar te luisteren. Fantasie ['plaisir'] is de wet.’

Het orkestwerk duurt ongeveer tien minuten en is een vrije fantasie over het gelijknamige gedicht, dat verhaalt over een faun en zijn dagdromen op een zwoele namiddag. De muziek beschrijft het gedicht niet letterlijk, maar ze schetst een algehele atmosfeer van luchtige nostalgie en zachte dromerigheid. Alleen al de openingsmelodie zette de toen geldende principes op losse schroeven: er klinkt slechts één instrument, de fluit, symbool van de dromende faun. De melodie daalt en stijgt, als een meeuw die zich laat mee wiegen op de golven. Ze krult en wentelt zich lustig als een arabeskversiering op de muur van een Moors paleis. Dan valt het orkest in. De samenklanken zijn rijk en vol, vanwege de warme kleuren van de houtblazers (fluiten, althobo) en de hoorns, en de afwezigheid van luidruchtige blaas- en slaginstrumenten. Als in een droom kabbelt de mysterieuze en exotische muziek verder.